Klimaatakkoord: Autoritair of Democratisch?

Het Klimaatakkoord, en in het verlengde daarvan de Energietransitie die het klimaat moet redden, dreigen voor de Nederlandse huishoudens uit te lopen op een politieke strijd over de mate waarin de overheid haar burgers kan dwingen hun huis te verbouwen of hun auto te vervangen door een elektrisch exemplaar.
Rijk, provincies en gemeenten vliegen de Energietransitie aan als een bestuurlijk project. Dit is een staaltje planeconomie dat in Nederland lang niet vertoond is.
Meestal lukt een dergelijke planmatige aanpak alleen na rampen die zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, zoals de Watersnoodramp in 1953, die het inmiddels wereldberoemde Deltaplan heeft opgeleverd.
De Klimaatramp is op zich niet minder existentieel, maar voltrekt zich veel geleidelijker en lijkt, ondanks alle waarschuwende rapporten van experts, voorlopig niet de mobiliserende werking en legitimering van een ‘echte’ ramp te krijgen.
Denken in een scala van oplossingen, met voldoende vrijheidsgraden voor de burger en met behoud van democratische zelfbeschikking, is in een dergelijke situatie een vruchtbaarder aanpak dan een van boven af opgelegde verandering.

Nederland is Planmatig Ontwikkeld…

Nederland kent een lange traditie van planmatige ontwikkeling, zoals iedereen die wel eens van of naar Schiphol gevlogen is van boven af kan waarnemen. De strijd tegen het water, beperkte ruimte in een vruchtbare delta, en een hang naar soberheid, gelijkheid en organisatie hebben geleid tot een strakke ruimtelijke ordening en tot steden  en gebouwen die vrijwel volledig onderworpen zijn aan regels en voorschriften.
In zijn recente boek ‘Building and Dwelling’ (2018) maakt de Amerikaanse socioloog Richard Sennet een onderscheid tussen ‘gesloten’ en ‘open’ steden en stedelijke samenlevingen.
Gesloten steden worden gebouwd en ontwikkeld volgens een bepaald masterplan. Open steden ontwikkelen zich meer organisch en volgen minder strikte regels en voorschriften.
Gesloten steden zijn ‘autoritair’, omdat ze weinig variatie toelaten en weinig eigen initiatief van de bewoners verlangen. Initiatieven waardoor afwijkingen van het vaste patroon ontstaan worden eerder ontmoedigd, of zelfs bestraft.
Open steden bieden meer ruimte voor eigen initiatief en creativiteit. Ze zijn ‘democratisch’ omdat het meer aan de bewoners zelf wordt overgelaten waar en wat er gebouwd wordt.
Volgens dit onderscheid heeft Nederland een bij uitstek ‘gesloten’ gebouwde omgeving.

Met Een Zeer Divers Resultaat

Deze planmatige ontwikkeling heeft zich gedurende enkele honderden jaren voltrokken. De planmatige uitgangspunten zijn in deze periode sterk geëvolueerd. Techniek is voortgeschreden. Nieuwe bouwmaterialen en installatietechnieken leidden tot nieuwe oplossingen en vormgeving. Verbouwingen en onderhoud, of juist gebrek aan onderhoud, hebben woningen en gebouwen in de loop der tijd sterk veranderd. Het resultaat van planmatige ontwikkeling is daarom toch een gebouwde omgeving die een grote mate van diversiteit kent.
De introductie van aardgas eind jaren ’60 van de vorige eeuw, gekoppeld aan de naoorlogse uitbouw die toen plaatsvond, heeft geleid tot de huidige energievoorziening in woningen, die veilig, betrouwbaar, comfortabel en betaalbaar is.
Naast deze planmatige stedelijke ontwikkeling kent Nederland ook een sterke liberale traditie. Bezit wordt gekoesterd en beschermd en achter de voordeur doen we graag wat ons zelf invalt. De keurige rijtjes woningen die ooit planmatig in het landschap neergezet zijn, vertonen inmiddels vaak een bont scala aan uitbouwsels, dakkapellen, opbouwen, etc.
Nieuwbouw wordt de laatste jaren minder eenvormig uitgevoerd dan in de jaren ’60 en ’70. Variatie in woningtypen, grootte en uiterlijk levert esthetisch een prettiger stadsbeeld op, en leidt tot een meer gevarieerde samenstelling van de bevolking.
Nederland heeft ca. 7,7 miljoen woningen, waarvan 56% als ‘eigen woning’ te boek staat (BAG, peildatum 1-1-2015). Dit zijn ruim 4,3 miljoen woningen. De overige 3,4 miljoen woningen worden verhuurd, hetzij particulier (ruim 1 miljoen), dan wel via woningcorporaties (2,4 miljoen). Het overgrote deel van deze woningen zal er in 2050 ook nog staan. Er zal nieuwbouw bij komen, maar grootschalige sloop en herbouw van bestaande woningen wordt nog nergens voorzien.
Het planmatig ontwikkelen van nieuwbouw, inmiddels energieneutraal en gasloos uitvoerbaar, is één ding. Het verbouwen en onder nieuwe voorschriften brengen van alle bestaande bouw, in al zijn bouwkundige variatie en met al zijn bestaande eigendomsrechten, is echter andere koek.

Stappenplan Regionale Energie Strategie (bron: IPO)

Energietransitie Gesloten of Open Organiseren?

Stedenbouwkundig staat Nederland daarmee voor een immense opgave.
Hoe ‘decarboniseren’ we onze energiehuishouding in de gebouwde omgeving? Dat wil zeggen, hoe halen we alle energie die we nodig hebben voor wonen, werken en vervoer in de toekomst uit bronnen die (vrijwel) geen CO2-uitstoot in de atmosfeer veroorzaken?
Kunnen we deze transitie van boven af, en in een strak tijdschema aan de bevolking opleggen, of doen we er beter aan zelfbeschikking van mensen centraal te stellen, en het tempo aan hen zelf over te laten?
Overheden, milieu-organisaties en dat deel van het bedrijfsleven dat hoopt te verdienen aan de Energietransitie, kiezen voor een gestuurde, planmatige aanpak, desnoods met boetes en wettelijke dwang. De bevolking slijpt de messen. De politiek is verdeeld of aarzelt.

De Klimaattafels Kiezen voor Gesloten

Vanaf de Klimaattafels in Den Haag, waar de polder overlegt over een nationaal Klimaatakkoord, klinkt een luide roep om ‘regie’, uit te oefenen door de overheid. Het kabinet moet besluiten nemen, zo klinkt het.
Nu blinkt onze overheid bijna nergens uit in het voeren van ‘regie’, wellicht met Rijkswaterstaat en de water- en wegeninfrastructuur waarover dit overheidsapparaat de scepter zwaait, als markante uitzondering.
De overheid heeft geen uitvoerend apparaat dat in de gebouwde omgeving capaciteit en ervaring heeft met een dergelijke enorme planopgave. De heersende cultuur in Den Haag is ook, in feite vanaf het eerste kabinet Lubbers (1982), dat het primaat bij de samenleving ligt, en de overheid zich ‘op afstand’ alleen met de hoogstnoodzakelijke randvoorwaarden moet bezighouden. Een centralistische rol voor de overheid is in strijd met deze consensus. Bij de Rijksoverheid zien we nu dan ook een beweging om de Energietransitie ‘over de heg’ naar provincies en gemeenten te gooien.

De Energiesector Kiest voor Gesloten

De energiesector is ook voor een ‘masterplan’ en benadrukt hierbij het systeemkarakter van energie. Een recent rapport van de gassector is hier een goed voorbeeld van. Er is nu eenmaal veel dure infrastructuur nodig om een energiesysteem in stand te houden. De productiecapaciteit moet op ieder moment toereikend zijn, nauwkeurig worden afgestemd op de vraag, en deze vraag in de tijd, voor elektriciteit zelfs van minuut tot minuut, zorgvuldig kunnen volgen.
Systeemdiensten, uitgeoefend door netbeheerders, zorgen ervoor dat dit productiesysteem in Nederland in balans is en vrijwel zonder storingen functioneert.
De ombouw van het huidige productiesysteem naar een duurzaam model vraagt enorme financiële investeringen, zowel maatschappelijk als privaat. De roep om duidelijke keuzes, voorspelbaarheid en planbaarheid is dan begrijpelijk. Tot op zekere hoogte zijn deze elementen waarschijnlijk ook onvermijdelijk, althans om de meest ‘systemische’ van de mogelijke oplossingen te realiseren.
Zo kan een warmtenet als alternatief voor gasverwarming alleen tot stand komen als er een partij in dit net investeert, er minimaal één betrouwbare CO2-vrije bron beschikbaar is of gebouwd wordt, en er tenslotte voldoende afnemers zijn om al deze investeringen langjarig rendabel te maken. Als niet aan alle drie de voorwaarden voldaan wordt zal het warmtenet er niet komen. Dit vraagt een hoog niveau van coördinatie en planning, met weinig vrijheidsgraden voor de uiteindelijke afnemers.
Warmtenetten zijn dus bij uitstek ‘gesloten’ oplossingen, ook als ze open staan voor meerdere warmtebronnen, of als (enkele) bewoners in theorie een andere keuze kunnen maken.

Netbeheerders Kiezen voor Gesloten

Netbeheerders, die een spilfunctie hebben bij de grote verbouwing van Nederland, hebben een groot operationeel belang bij een planmatige aanpak van de distributienetten.
Het verzwaren van elektriciteitsnetten, het weghalen van gasleidingen en het aanleggen van warmtenetten doen zij bij voorkeur in één keer en gecoördineerd met andere beheerders van netwerken, zoals waterleiding-, riolering- en kabelbedrijven. Dit levert kostenvoordelen op en beperkt de overlast in de stad.
Toch moet dit niet overdreven worden. De netwerkcomponent vormt slechts een beperkt deel van de totale kosten van het energiesysteem. Wat verandering vooral duur zal maken is haast, verkeerde keuzen en vervroegde afschrijving van netwerken die nog jaren mee hadden gekund.
Daar komt bij dat netwerkinvesteringen eenvoudig te financieren zijn. Netwerkbedrijven hebben een AAA-rating op de financiële markten, omdat zij bijna al hun kosten, met de zegen van de Autoriteit Consument en Markt, via vaste tarieven om mogen slaan over alle aangeslotenen in Nederland.

Bron: Triodos Bank

De Milieubeweging Kiest voor Gesloten

Ook de milieubeweging komt uit bij een gesloten model.
Hoezeer particuliere initiatieven, lokale experimenten, en zelfvoorzienende vuurtorenwachters ook gekoesterd worden, de grote frustratie in de milieubeweging is dat het allemaal veel te langzaam gaat. De neiging om dan maar ‘van bovenaf’ en middels (wettelijke) dwang de transitie te versnellen wordt dan groot.
De rechtzaak van Urgenda tegen de Staat, en de ‘Klimaatwet’ van GroenLinks en PvdA zijn uitingen ter linkerzijde van deze neiging om dwang te verkiezen boven consensus en geleidelijkheid.

Provincies en Gemeenten Kiezen voor Gesloten

Provincies en gemeenten lopen zich intussen warm om het ‘project Energietransitie’ uit te voeren.
Er worden thans (Okt 2018) nieuwe ‘Energieregio’s’ gevormd in Nederland (ca. 30) die in 2019 een Regionale Energie Strategie (RES) moeten opleveren. Hierin wordt ruimtelijk beschreven waar plaats is voor nieuwe windmolenparken en zonneweides, en waar zich mogelijke bronnen voor warmte bevinden (geothermie, industriële restwarmte, oppervlaktewater, ed.).
Aansluitend wordt van alle 380 gemeenten in Nederland verwacht dat zij uiterlijk in 2021 een Warmtevisie opleveren, waarin per wijk, per straat zichtbaar wordt gemaakt op welke wijze men zich in de toekomst geacht wordt van warmte te voorzien, en wanneer de gaskraan dicht gaat.
Daarnaast zijn gemeenten, zoals bijvoorbeeld Haarlem, van plan een lokaal ‘Klimaatakkoord’ tot stand te brengen waarin de totale opgave met de bevolking wordt ‘afgestemd’.
Opgeteld moeten al deze detailplannen leiden tot de realisatie van de nationale klimaatdoelstellingen, overeenkomend met de internationale afspraken die bij het Klimaatakkoord van Parijs in 2015 gemaakt zijn.

Klimaatafspraken Parijs (bron: Alliander)

Maar Hoe Solidair Is Het Volk?

De dwang van het Klimaatakkoord van Parijs, althans de dwang die de politiek zichzelf oplegt op basis van deze overeenkomst, want sancties kent dit akkoord niet, leidt tot een bestuurlijke voorkeur voor een planmatige en technocratische aanpak van de Energietransitie.
Dit leidt tot een van boven af vastgestelde taakstelling voor Nederland: 49% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990; 80-100% reductie in 2050. Huidige (2017) stand ten opzichte van 1990: 0% reductie. Elders valt te lezen dat dit, gezien de economische groei die sinds 1990 heeft plaatsgevonden, overigens al een prestatie van formaat is.
Doelstellingen voor CO2-reductie worden eerst voor de hele wereld, dan voor ieder land geformuleerd. Binnen Nederland wordt deze doelstelling aan de Klimaattafels verdeeld over de sectoren elektriciteitsproductie, industrie, vervoer, landbouw en huishoudens.
Vervolgens worden deze doelstellingen nader ingevuld binnen de nieuwe energieregio’s en binnen de gemeenten. De nationale taakstelling wordt in 2019 (de opgetelde Regionale Energie Strategieën) en nogmaals eind 2021 (de opgetelde Warmtevisies van de gemeenten) geconfronteerd met wat de provincies en gemeenten, die individueel niet bij de Klimaattafels betrokken zijn geweest, binnen hun werkgebied aan mogelijkheden zien.
Dat deze benadering van onderop dezelfde uitkomst gaat geven als de van bovenaf geformuleerde taakstelling is niet erg waarschijnlijk.
Een complicerende factor hierbij is dat regio’s niet alleen naar hun eigen gebied kunnen kijken met als doel de eigen energievraag binnen het eigen grondgebied te verduurzamen.
Relatief dunbevolkte regio’s kunnen hier wellicht aan voldoen. Maar dat is niet voldoende, omdat dichtbevolkte regio’s en gemeenten met weinig vrij grondgebied hier met geen mogelijkheid aan zullen kunnen voldoen.
Met andere woorden, alle regio’s moeten opgeven wat zij maximaal kunnen doen, niet alleen voor zichzelf , maar ook om export van duurzame energie naar bijvoorbeeld de Randstad mogelijk te maken.
Dit vraagt nogal wat aan onderlinge solidariteit: ‘Zetten jullie je hele provincie maar vol met windmolens, zodat we in de Randstad duurzaam ons geld kunnen verdienen’. Het ligt niet voor de hand dat deze solidariteit zonder slag of stoot opgebracht zal worden, hoeveel ‘regie’ hier ook over gevoerd wordt.

De beoogde regelkring van het Klimaatakkoord (bron: IPO)

En Wie Gaat Dat Betalen?

Naast het ‘not-in-my-backyard’ probleem, is het andere grote issue uiteraard de financiering.
Bedragen die geïnvesteerd moeten worden om een woning energiezuinig te maken en van het gasnet af te kunnen halen lopen in verschillende scenario’s sterk uiteen van gemiddeld €15.000 (Urgenda, Milieudefensie, met comfortverlies) tot €50.000 of meer (aannemers en installatiebranche, met comfortwinst). Laten we het voorzichtig houden op €20.000 als de gemiddelde kosten per woning. Voor 7,7 miljoen woningen telt dit op naar een totale investering van €154 miljard (in prijzen van 2018).
Dit is exclusief de investeringskosten voor grootschalige duurzame opwek van elektriciteit, voor de aanleg en bouw van CO2-vrije warmtebronnen, en voor de netwerken die de stroom en de warmte moeten vervoeren.
€154 miljard is, hoe je het ook wendt of keert, een groot bedrag. Het is €5 miljard per jaar in de komende 30 jaar. Als hiervoor geleend moet worden, en dat zal in veel gevallen zo zijn, komt hier nog rente bij. Stel dat de rente 3% bedraagt en de lening van €20.000 in 20 jaar annuïtair wordt afgelost, dan kost dit een huiseigenaar €112 per maand.
Hier staat een lagere energierekening tegenover, maar daar moeten geen wonderen van verwacht worden. Een deel van de besparing zal geïncasseerd worden in de vorm van een hoger comfort, een deel zal gaan naar hogere kosten van netbeheer en de energievoorziening (inclusief zonnepanelen). Bovendien is het rendement van een veel gekozen oplossing als de warmtepomp in de praktijk niet wat er beloofd wordt, zoals elders op deze website beschreven wordt.
Al met al een forse aderlating voor de gemiddelde koopkracht van de burger, én een hogere schuld, waar ook niet iedereen op zal zitten te wachten.
Het is daarom een reëel risico dat een bestuurlijke en technocratische benadering van de Energietransitie, die met veel dwang gepaard gaat, vastloopt op grote maatschappelijke weerstand, met alle politieke risico’s van dien. Dit is immers koren op de molen van partijen die het klimaatprobleem niet serieus nemen.

Naar een Open Transitiemodel

Een open transitiemodel werkt vanuit de stelling ‘gesloten en planmatig waar collectief kansrijk en voordelig, maar open en naar eigen keuze in alle andere situaties’.
Collectieve, planmatige oplossingen, bijvoorbeeld met warmtenetten, zijn dan voorbehouden aan steden en wijken binnen steden die zich daar bouwkundig voor lenen en waar al een grote mate aan centraal ontwerp en centrale regie bestaat. De meest gesloten energieoplossingen horen in de meest gesloten wijken. Dit zijn vaak wijken waar naar verhouding veel (sociale) huurwoningen zijn. Grofweg zal deze benadering op termijn voor ca. 30-40% van Nederland kunnen werken. Dit percentage zal per gemeente verschillen. Nieuwbouw, die nu al grotendeels energie- en CO2-neutraal kan worden uitgevoerd, zal dit percentage langzaam verder verhogen.
In alle andere situaties verdienen open oplossingen de voorkeur. Dit betekent dat bewoners de ruimte moeten krijgen om wel of niet te investeren in hun woning, en dat zij daarbij alle oplossingen kunnen kiezen die de markt aanbiedt. Bewoners kunnen zo investeren op natuurlijke momenten, bij verhuizingen of als de woning toch al ingrijpend gerenoveerd wordt, en energiemaatregelen meegefinancierd kunnen worden. Maar niet omdat in het klimaatplan van de gemeente staat dat wijk X voor datum Y geheel verbouwd moet zijn en dat de gaskraan dan dicht gaat.
Netbeheerders zouden deze benadering voor deze wijken en bewoners moeten faciliteren door het gasnet voorlopig gewoon in stand te houden, en het elektriciteitsnet zodanig te verzwaren dat alle moderne oplossingen (warmtepompen, zonnepanelen, elektrisch vervoer, etc.) hiermee bediend kunnen worden.
Dikkere kabels en bestaande gasleidingen in bedrijf houden vormen de simpele ‘low tech’ oplossing om de vrijheidsgraden voor veel burgers in stand te houden en een grotere flexibiliteit naar een onzekere toekomst te bieden.
Op deze wijze kan de Energietransitie voor iedereen een positieve ervaring worden, in plaats van een politieke veldslag tussen tegengestelde belangen.

Green Greed

Wat te doen met de gasaansluiting?

Het begin van het nieuwe jaar werd opgeluisterd door een discussie over de kosten van het verwijderen van gasaansluitingen. Een beetje voor de muziek uit lijkt mij dit, maar vooruit, regeren is tenslotte vooruitzien. De interessantere vraag hierachter is hoe je de energietransitie moet financieren.

Als je geen gas meer nodig hebt kun je drie dingen met je gasaansluiting doen. Het eerste is niets, maar dan blijf je (in 2018) ca. € 130 per jaar betalen aan de netbeheerder. Het tweede is de gasaansluiting administratief laten afsluiten. Soms is dit gratis, soms wordt hier eenmalig geld voor gevraagd door de netbeheerder. Je betaalt voor een huisbezoek van een monteur die 5 minuten bezig is. De aansluiting wordt dichtgezet en verzegeld. Je hebt dan geen jaarlijkse kosten meer. De derde mogelijkheid, en daar gaat het hier om, is de gasaansluiting en de meter fysiek weg te laten halen door de netbeheerder. Dit is aanzienlijk duurder. Netbeheerders vragen hier €600-650 voor.

Laat je aansluiting niet te snel weghalen

Dit laatste zou ik overigens niet zo snel laten doen. Als de gastoevoer in de meterkast wordt afgesloten is de kans op lekkage nihil. Bovendien kun je de komende jaren nog op je schreden terugkeren als blijkt dat die warmtepomp toch niet bevalt en we inmiddels tot andere inzichten in de toekomstige rol van gas zijn gekomen. Zolang er nog wel gas in de toevoerleiding in de straat loopt blijft het risico op gaslekken, bijvoorbeeld door graafschade, bestaan. Met andere woorden, een paar meter pijp verwijderen tussen je meterkast en de straat draagt niet of nauwelijks bij aan de veiligheid in en rond je huis. Pas als de hele straat gasloos kan worden, bijvoorbeeld door het aanleggen van stadsverwarming, zou je de complete gasinfrastuctuur weg kunnen halen. Dit kunnen netbeheerders dan mooi combineren met de aanleg van de stadsverwarming, waardoor het kostenplaatje er heel anders uit komt te zien. De verwijderingskosten maken dan deel uit van een compleet project.

Socialiseren is sigaar uit eigen doos

Hier komen we op een fundamenteel punt. Bij dit soort projecten zal steeds de afweging gemaakt moeten worden hoe de projectkosten betaald worden en door wie. Door een aanzienlijk deel van de aanlegkosten te socialiseren, oftewel om te slaan over alle aansluitingen in Nederland, zou je de directe projectkosten stelselmatig onderschatten. Daarmee wordt de doorbelasting van deze kosten aan de directe gebruikers in feite te laag. De rest van de kosten wordt immers door alle huishoudens in Nederland gedragen, die hiermee het project in feite subsidiëren.
Het is hierbij echter net als bij verzekeren. Bij een klein risico met grote gevolgen heeft het zin deze hoge kosten via een verzekeringspremie om te slaan over alle verzekerden. Maar als het ‘risico’ vrijwel 100% is werkt dit principe niet meer. Iedereen zal dan linksom of rechtsom gewoon zelf voor de kosten moeten opdraaien. Energietransistie is zo’n 100% risico. Het treft ons immers allemaal.

André Jurjus, directeur van Netbeheer Nederland, de brancheclub van de netbeheerders, pleitte in een recent artikel in Trouw voor socialisatie van de verwijderingskosten. Dit is geen verrassing, want socialisatie is het favoriete model van de netbeheerders en ontslaat hen van allerlei moeilijke discussies met afnemers van hun diensten. Zij laten elk jaar hun tarieven vaststellen door de ACM en kunnen dan weer een jaar hun gang gaan. Werkt wel zo prettig natuurlijk.

Ook de nobele Grünmenschen, de voorlopers in de energietransitie die het idee hebben dat ze steeds beloond moeten worden voor hun goede gedrag met subsidies, belastingkortingen en hoofdelijke omslag van de collectieve kosten die ze veroorzaken, zijn uiteraard vóór socialisatie. Vol verontwaardiging wordt al gesproken over ‘een boete op het gasloos maken van je woning’. Hoe durven ze hier geld voor te vragen!

Maar als we uiteindelijk allemaal van het gas af moeten is dit een sigaar uit eigen doos. We subsidiëren elkaar dan allemaal, maar niet in dezelfde mate en niet tegelijkertijd. De eersten zijn goed af, terwijl het voor de latere instappers en de onvrijwillige zittenblijvers steeds duurder wordt.

In Duitsland zijn de grenzen van socialiseren zichtbaar

In Duitsland is dit effect al goed zichtbaar. Bezitters van zonnepanelen en windmolens genoten jarenlang van riante vergoedingen voor het invoeden van duurzame stroom in het net. De netbeheerders wikkelen dit af en slaan de kosten van deze vergoedingen om over alle aansluitingen. In het begin viel dit niet zo op, maar inmiddels zijn de stroomkosten voor de consument in Duitsland ca. €0,07 per kWh hoger dan in Nederland, ondanks lagere prijzen in de groothandel. Bovendien drukken deze kosten steeds sterker op de lagere inkomens die weinig energie kunnen besparen en evenmin kunnen profiteren van de installatie van zonnepanelen. De regeling is inmiddels dan ook danig versoberd.

Het is daarom onverstandig om de kosten van de energietransitie af te wentelen van de vaak welvarende early adopters naar de massa van de bevolking en uiteindelijk naar de economisch zwakkere groepen in de samenleving. Dit leidt tot foute rekenmodellen, tot een overschatting van de mogelijkheden, tot foute allocatie van kapitaal en tot een duur en uiteindelijk met name voor de lagere inkomensgroepen onbetaalbaar energiesysteem. We willen natuurlijk allemaal wel in een belastingvrije Tesla rijden die betaald wordt door onze buurman, maar dat gaat hem niet worden.

Daarom beste voorlopers, ‘put your money where your mouth is’, investeer blijmoedig in een gasloze toekomst en zeur niet over de kosten.

Bereken De Extra Energiebelastingen In Jouw Situatie

Met een eenvoudige rekentool kun je hier uitrekenen wat de aangekondigde belastingverhogingen voor jou betekenen

 

Verwarring over energiebelastingen

Er was recent weer een hoop te doen over de verhoging van de energiebelastingen die in het regeerakkoord voor de komende jaren wordt aangekondigd. Feit is dat de tarieven die meebewegen met je verbruik gaan stijgen, en dat de vaste belastingkorting (dit jaar €373) in 2019 met €62 gaat afnemen.

Wat de aangekondigde verhogingen van de energiebelastingen op stroom en gas voor jou of je bedrijf of organisatie betekenen kun je hier eenvoudig uitrekenen. Vul het jaarlijkse stroom- en gasverbruik in en je ziet meteen hoeveel extra belasting er in 2018, 2019, 2020, 2021 via de energierekening geïnd zal worden (inclusief de 21% BTW die over deze belasting geheven wordt). De extra belasting is berekend op basis van het meest actuele kamerstuk waarin de voorgenomen verhogingen of verlagingen voor de komende jaren vermeld staan (in 2021 dalen de tarieven volgens dit kamerstuk weer een beetje). De tarieven worden elk jaar in december definitief vastgesteld voor het volgende jaar.

Gemiddelde effecten zijn nietszeggend

Er ontstond vervolgens veel verwarring over de gevolgen voor ieders portemonnee. Iedereen begint dan met gemiddelden te strooien. Maar gemiddelden zijn volkomen nietszeggend in deze situatie. De overheid kiest een laag gemiddeld verbruik per huishouden en neemt vervolgens aan dat dit gemiddelde verbruik gemiddeld gaat dalen volgens de doelstellingen van het regeerakkoord. Dit zou dan moeten komen van energiebesparing, isolatie, zonnepanelen, etc. En ziedaar, dan valt het allemaal best mee.

Met dit soort rookgordijnen bouw je geen draagvlak voor de energietransitie! Want een gemiddelde besparing bestaat natuurlijk niet. Verbruiken verschillen sterk per huishouden. Je kunt óf wel besparen, óf je kunt niet besparen. In het eerste geval zullen je energiekosten, en dus ook de energiebelastingen dalen (of minder stijgen), in het tweede geval betaal je de volle verhoging.

Dit is deels een keuze, maar deels ook niet. Als je bijvoorbeeld huurder bent, heb je in de regel veel minder mogelijkheden om via investeringen in je woning de energiekosten te verlagen dan wanneer je een eigen huis hebt. Vandaar dat de Woonbond, die voor de belangen van de huurders opkomt, zich terecht in het debat mengde. Maar ook woningeigenaren zullen zich afvragen of investeringen lonen. Dat zal in iedere situatie immers anders zijn. Zo zet de overheid iedereen wel weer aan het denken. Bespaar ze!

Energiekosten Gaan Fors Stijgen

Het regeerakkoord van het in oktober 2017 aangetreden kabinet zal leiden tot een aanzienlijke stijging van de energiekosten.

Het nieuwe kabinet belooft dat iedereen erop vooruit gaat. Tegelijk gaat de regering aan vergroening werken door belastingen op consumptie te verhogen en belastingen op inkomen te verlagen. Hoe dit uitpakt zal voor ieder huishouden verschillend zijn, maar als je veel energie verbruikt zou de balans wel eens in je nadeel kunnen uitslaan.
Verwacht wordt van burgers en bedrijven, dat zij de komende jaren grote investeringen gaan doen om hun huis en vervoer toekomstbestendig te maken. De totale energiekosten, inclusief de kosten en lasten van deze investeringen, zullen daarom sterk gaan toenemen. In dit blog zullen we de komende tijd onderzoeken hoe precies.

Eric Wiebes, onze nieuwe minister van Economische Zaken en Klimaat is niet te benijden. De klimaatambities zijn kolossaal en zullen de komende jaren in concrete plannen en maatregelen omgezet moeten worden. Laten we eens kijken wat hij zoal voor de burger in petto heeft.

Elektrisch rijden wordt de nieuwe norm

In 2030 (‘uiterlijk’) mogen auto’s die op benzine, diesel of lpg rijden niet meer verkocht worden. We gaan allemaal elektrisch rijden, of nog beter, we laten ons dan allemaal rijden in zelf rijdende elektrische voertuigen. Dat is over 12 jaar. In die tijd kopen of leasen we misschien nog één of twee keer een nieuwe of gebruikte auto. Wanneer schakel je om naar elektrisch? En wat betekent het voor de afschrijving en restwaarde van je oude auto? Over voldoende laadpunten bij je thuis, op je werk of onderweg, omgaan met ‘afstandsangst’, autovakanties en het trekken van de caravan hebben we het dan nog niet eens.

We moeten van het gas af

In 2050 (eveneens ‘uiterlijk’) gebruiken we geen gas meer voor het verwarmen van ons huis, water en koken. In proefprojecten die tot nu toe rond deze ambitie zijn uitgevoerd blijkt dat dit eigenlijk alleen bij nieuwbouw redelijk kosteneffectief gerealiseerd kan worden. De woning wordt dan zwaar geïsoleerd uitgevoerd en voorzien van ofwel een aansluiting op blok- of stadsverwarming, ofwel van een elektrisch aangedreven warmtepomp. Deze verwarming wordt gecombineerd met vloerverwarming door de hele woning, zodat het huis met een relatief lage watertemperatuur in het verwarmingssysteem warm gehouden kan worden. En ook balansventilatie, een zonneboiler en zonnepanelen voor het opwekken van elektriciteit mogen dan eigenlijk niet ontbreken. Er zijn op dit moment hooguit enkele honderden woningen in Nederland die aan deze hoge standaarden voldoen. Nog een ruime 7 miljoen woningen te gaan dus. Ca. 90% van alle woningen heeft een gasaansluiting, de rest heeft al blokverwarming, bijvoorbeeld appartementen in flatgebouwen, of stadsverwarming. De huidige blok- of stadsverwarming draait overigens in vrijwel alle gevallen ook gewoon op gas of andere fossiele brandstoffen.
Deze voorzieningen achteraf aanbrengen in bestaande oudere woningen en buurten kan wel, maar is buitengewoon kostbaar. Je moet dan denken aan investeringen per woning tussen de €30.000 en €80.000 of meer, afhankelijk van type, ouderdom, etc. En nog afgezien van investeringen in publieke infrastructuur om bijvoorbeeld duurzame blok- of stadsverwarming op grote schaal mogelijk te maken. We krijgen immers wel ‘recht-op-warmte’, maar dit recht is niet gratis.

Belastingen blijven stijgen

Als het aan de overheid ligt zullen ook de gewone energiekosten de komende jaren alleen maar stijgen. Voor 2018 en 2019 zijn al belastingverhogingen aangekondigd en ook voor de jaren daarna zijn verhogingen te voorzien om de pot te vullen waaruit Economische Zaken de subsidies aan duurzame energieprojecten financiert. Hiervoor zijn in diverse rondes al langjarige verplichtingen aangegaan. Enerzijds is dit een prikkel voor burgers om in besparingsmaatregelen te gaan investeren, maar anderzijds bestaat het risico dat hoe beter sommige burgers hierin slagen, hoe hoger de tarieven voor de anderen zullen worden. De totale belastingopbrengst moet immers wel gehaald worden. Reken hier uit wat de aangekondigde verhogingen voor jou gaan betekenen.

De energieprijs blijft onzeker

Interessant is wat er met de kale stroomprijzen de komende jaren gaat gebeuren. Aan de ene kant hebben we de afgelopen jaren overwegend dalende prijzen gezien, zeker in de zomer waar het groeiende aanbod van zonnestroom en wind in Nederland en omringende landen (vooral Duitsland) een drukkend effect op de stroomprijs uitoefent. Deze beweging zal wel doorgaan. Gedetailleerd inzicht in de ontwikkeling van de stroom- en gasprijzen gedurende de laatste jaren bieden we op de Forstrom website.
Aan de andere kant neemt de druk om fossiele centrales uit bedrijf te nemen toe, vooral waar het gaat om kerncentrales (Duitsland en België) en kolencentrales. Dit kan op termijn vooral in de wintermaanden tot krapte op de markt gaan leiden, zeker als het eens wat minder hard waait. Hoge stroomprijzen in de winter en lage prijzen in de zomer zijn daarmee waarschijnlijk. Hoe dit per saldo uit gaat pakken is echter koffiedik kijken.
Als stroom uit gascentrales in de toekomst kern- en kolenstroom moet vervangen is niet denkbeeldig dat de kale gasprijs, die de laatste jaren vrij gematigd is, ook weer gaat stijgen. Hier gaat elke consument die nog niet ‘gasloos’ is last van krijgen.

Zijn zonnepanelen nog wel interessant?

Tot slot worden de voorlopers in deze transitie, degenen die al in zonnepanelen geïnvesteerd hebben, of van plan zijn dit binnenkort te doen, geconfronteerd met een aangekondigde afbouw van de regeling waarbij je voor aan het net terug geleverde stroom evenveel ontvangt als voor afgenomen stroom op een ander moment in het jaar. Dit is de zogenaamde salderingsregeling. Aangezien de stroomkosten voor ca. tweederde uit belasting bestaan, betekent afbouw van deze regeling vooral dat volledige verrekening van de energiebelasting vanaf 2020 niet meer mogelijk zal zijn. Wat het dan wel wordt is nog onduidelijk. Uitrekenen of het financieel zinvol is om zonnepanelen te installeren kun je op het moment dus niet meer, omdat de terugverdientijd nu (ca. 7-9 jaar) de resterende tijd van de huidige regeling ruim overschrijdt. Dit zal de zonnebranche geen goed doen.

Kortom als het om energie gaat wordt er wel een heel groot beroep op het vertrouwen van de burger gedaan dat dit goed gaat komen, laat staan dat hij of zij daar financieel beter van gaat worden.