Klimaatakkoord: Autoritair of Democratisch?

Het Klimaatakkoord, en in het verlengde daarvan de Energietransitie die het klimaat moet redden, dreigen voor de Nederlandse huishoudens uit te lopen op een politieke strijd over de mate waarin de overheid haar burgers kan dwingen hun huis te verbouwen of hun auto te vervangen door een elektrisch exemplaar.
Rijk, provincies en gemeenten vliegen de Energietransitie aan als een bestuurlijk project. Dit is een staaltje planeconomie dat in Nederland lang niet vertoond is.
Meestal lukt een dergelijke planmatige aanpak alleen na rampen die zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, zoals de Watersnoodramp in 1953, die het inmiddels wereldberoemde Deltaplan heeft opgeleverd.
De Klimaatramp is op zich niet minder existentieel, maar voltrekt zich veel geleidelijker en lijkt, ondanks alle waarschuwende rapporten van experts, voorlopig niet de mobiliserende werking en legitimering van een ‘echte’ ramp te krijgen.
Denken in een scala van oplossingen, met voldoende vrijheidsgraden voor de burger en met behoud van democratische zelfbeschikking, is in een dergelijke situatie een vruchtbaarder aanpak dan een van boven af opgelegde verandering.

Nederland is Planmatig Ontwikkeld…

Nederland kent een lange traditie van planmatige ontwikkeling, zoals iedereen die wel eens van of naar Schiphol gevlogen is van boven af kan waarnemen. De strijd tegen het water, beperkte ruimte in een vruchtbare delta, en een hang naar soberheid, gelijkheid en organisatie hebben geleid tot een strakke ruimtelijke ordening en tot steden  en gebouwen die vrijwel volledig onderworpen zijn aan regels en voorschriften.
In zijn recente boek ‘Building and Dwelling’ (2018) maakt de Amerikaanse socioloog Richard Sennet een onderscheid tussen ‘gesloten’ en ‘open’ steden en stedelijke samenlevingen.
Gesloten steden worden gebouwd en ontwikkeld volgens een bepaald masterplan. Open steden ontwikkelen zich meer organisch en volgen minder strikte regels en voorschriften.
Gesloten steden zijn ‘autoritair’, omdat ze weinig variatie toelaten en weinig eigen initiatief van de bewoners verlangen. Initiatieven waardoor afwijkingen van het vaste patroon ontstaan worden eerder ontmoedigd, of zelfs bestraft.
Open steden bieden meer ruimte voor eigen initiatief en creativiteit. Ze zijn ‘democratisch’ omdat het meer aan de bewoners zelf wordt overgelaten waar en wat er gebouwd wordt.
Volgens dit onderscheid heeft Nederland een bij uitstek ‘gesloten’ gebouwde omgeving.

Met Een Zeer Divers Resultaat

Deze planmatige ontwikkeling heeft zich gedurende enkele honderden jaren voltrokken. De planmatige uitgangspunten zijn in deze periode sterk geëvolueerd. Techniek is voortgeschreden. Nieuwe bouwmaterialen en installatietechnieken leidden tot nieuwe oplossingen en vormgeving. Verbouwingen en onderhoud, of juist gebrek aan onderhoud, hebben woningen en gebouwen in de loop der tijd sterk veranderd. Het resultaat van planmatige ontwikkeling is daarom toch een gebouwde omgeving die een grote mate van diversiteit kent.
De introductie van aardgas eind jaren ’60 van de vorige eeuw, gekoppeld aan de naoorlogse uitbouw die toen plaatsvond, heeft geleid tot de huidige energievoorziening in woningen, die veilig, betrouwbaar, comfortabel en betaalbaar is.
Naast deze planmatige stedelijke ontwikkeling kent Nederland ook een sterke liberale traditie. Bezit wordt gekoesterd en beschermd en achter de voordeur doen we graag wat ons zelf invalt. De keurige rijtjes woningen die ooit planmatig in het landschap neergezet zijn, vertonen inmiddels vaak een bont scala aan uitbouwsels, dakkapellen, opbouwen, etc.
Nieuwbouw wordt de laatste jaren minder eenvormig uitgevoerd dan in de jaren ’60 en ’70. Variatie in woningtypen, grootte en uiterlijk levert esthetisch een prettiger stadsbeeld op, en leidt tot een meer gevarieerde samenstelling van de bevolking.
Nederland heeft ca. 7,7 miljoen woningen, waarvan 56% als ‘eigen woning’ te boek staat (BAG, peildatum 1-1-2015). Dit zijn ruim 4,3 miljoen woningen. De overige 3,4 miljoen woningen worden verhuurd, hetzij particulier (ruim 1 miljoen), dan wel via woningcorporaties (2,4 miljoen). Het overgrote deel van deze woningen zal er in 2050 ook nog staan. Er zal nieuwbouw bij komen, maar grootschalige sloop en herbouw van bestaande woningen wordt nog nergens voorzien.
Het planmatig ontwikkelen van nieuwbouw, inmiddels energieneutraal en gasloos uitvoerbaar, is één ding. Het verbouwen en onder nieuwe voorschriften brengen van alle bestaande bouw, in al zijn bouwkundige variatie en met al zijn bestaande eigendomsrechten, is echter andere koek.

Stappenplan Regionale Energie Strategie (bron: IPO)

Energietransitie Gesloten of Open Organiseren?

Stedenbouwkundig staat Nederland daarmee voor een immense opgave.
Hoe ‘decarboniseren’ we onze energiehuishouding in de gebouwde omgeving? Dat wil zeggen, hoe halen we alle energie die we nodig hebben voor wonen, werken en vervoer in de toekomst uit bronnen die (vrijwel) geen CO2-uitstoot in de atmosfeer veroorzaken?
Kunnen we deze transitie van boven af, en in een strak tijdschema aan de bevolking opleggen, of doen we er beter aan zelfbeschikking van mensen centraal te stellen, en het tempo aan hen zelf over te laten?
Overheden, milieu-organisaties en dat deel van het bedrijfsleven dat hoopt te verdienen aan de Energietransitie, kiezen voor een gestuurde, planmatige aanpak, desnoods met boetes en wettelijke dwang. De bevolking slijpt de messen. De politiek is verdeeld of aarzelt.

De Klimaattafels Kiezen voor Gesloten

Vanaf de Klimaattafels in Den Haag, waar de polder overlegt over een nationaal Klimaatakkoord, klinkt een luide roep om ‘regie’, uit te oefenen door de overheid. Het kabinet moet besluiten nemen, zo klinkt het.
Nu blinkt onze overheid bijna nergens uit in het voeren van ‘regie’, wellicht met Rijkswaterstaat en de water- en wegeninfrastructuur waarover dit overheidsapparaat de scepter zwaait, als markante uitzondering.
De overheid heeft geen uitvoerend apparaat dat in de gebouwde omgeving capaciteit en ervaring heeft met een dergelijke enorme planopgave. De heersende cultuur in Den Haag is ook, in feite vanaf het eerste kabinet Lubbers (1982), dat het primaat bij de samenleving ligt, en de overheid zich ‘op afstand’ alleen met de hoogstnoodzakelijke randvoorwaarden moet bezighouden. Een centralistische rol voor de overheid is in strijd met deze consensus. Bij de Rijksoverheid zien we nu dan ook een beweging om de Energietransitie ‘over de heg’ naar provincies en gemeenten te gooien.

De Energiesector Kiest voor Gesloten

De energiesector is ook voor een ‘masterplan’ en benadrukt hierbij het systeemkarakter van energie. Een recent rapport van de gassector is hier een goed voorbeeld van. Er is nu eenmaal veel dure infrastructuur nodig om een energiesysteem in stand te houden. De productiecapaciteit moet op ieder moment toereikend zijn, nauwkeurig worden afgestemd op de vraag, en deze vraag in de tijd, voor elektriciteit zelfs van minuut tot minuut, zorgvuldig kunnen volgen.
Systeemdiensten, uitgeoefend door netbeheerders, zorgen ervoor dat dit productiesysteem in Nederland in balans is en vrijwel zonder storingen functioneert.
De ombouw van het huidige productiesysteem naar een duurzaam model vraagt enorme financiële investeringen, zowel maatschappelijk als privaat. De roep om duidelijke keuzes, voorspelbaarheid en planbaarheid is dan begrijpelijk. Tot op zekere hoogte zijn deze elementen waarschijnlijk ook onvermijdelijk, althans om de meest ‘systemische’ van de mogelijke oplossingen te realiseren.
Zo kan een warmtenet als alternatief voor gasverwarming alleen tot stand komen als er een partij in dit net investeert, er minimaal één betrouwbare CO2-vrije bron beschikbaar is of gebouwd wordt, en er tenslotte voldoende afnemers zijn om al deze investeringen langjarig rendabel te maken. Als niet aan alle drie de voorwaarden voldaan wordt zal het warmtenet er niet komen. Dit vraagt een hoog niveau van coördinatie en planning, met weinig vrijheidsgraden voor de uiteindelijke afnemers.
Warmtenetten zijn dus bij uitstek ‘gesloten’ oplossingen, ook als ze open staan voor meerdere warmtebronnen, of als (enkele) bewoners in theorie een andere keuze kunnen maken.

Netbeheerders Kiezen voor Gesloten

Netbeheerders, die een spilfunctie hebben bij de grote verbouwing van Nederland, hebben een groot operationeel belang bij een planmatige aanpak van de distributienetten.
Het verzwaren van elektriciteitsnetten, het weghalen van gasleidingen en het aanleggen van warmtenetten doen zij bij voorkeur in één keer en gecoördineerd met andere beheerders van netwerken, zoals waterleiding-, riolering- en kabelbedrijven. Dit levert kostenvoordelen op en beperkt de overlast in de stad.
Toch moet dit niet overdreven worden. De netwerkcomponent vormt slechts een beperkt deel van de totale kosten van het energiesysteem. Wat verandering vooral duur zal maken is haast, verkeerde keuzen en vervroegde afschrijving van netwerken die nog jaren mee hadden gekund.
Daar komt bij dat netwerkinvesteringen eenvoudig te financieren zijn. Netwerkbedrijven hebben een AAA-rating op de financiële markten, omdat zij bijna al hun kosten, met de zegen van de Autoriteit Consument en Markt, via vaste tarieven om mogen slaan over alle aangeslotenen in Nederland.

Bron: Triodos Bank

De Milieubeweging Kiest voor Gesloten

Ook de milieubeweging komt uit bij een gesloten model.
Hoezeer particuliere initiatieven, lokale experimenten, en zelfvoorzienende vuurtorenwachters ook gekoesterd worden, de grote frustratie in de milieubeweging is dat het allemaal veel te langzaam gaat. De neiging om dan maar ‘van bovenaf’ en middels (wettelijke) dwang de transitie te versnellen wordt dan groot.
De rechtzaak van Urgenda tegen de Staat, en de ‘Klimaatwet’ van GroenLinks en PvdA zijn uitingen ter linkerzijde van deze neiging om dwang te verkiezen boven consensus en geleidelijkheid.

Provincies en Gemeenten Kiezen voor Gesloten

Provincies en gemeenten lopen zich intussen warm om het ‘project Energietransitie’ uit te voeren.
Er worden thans (Okt 2018) nieuwe ‘Energieregio’s’ gevormd in Nederland (ca. 30) die in 2019 een Regionale Energie Strategie (RES) moeten opleveren. Hierin wordt ruimtelijk beschreven waar plaats is voor nieuwe windmolenparken en zonneweides, en waar zich mogelijke bronnen voor warmte bevinden (geothermie, industriële restwarmte, oppervlaktewater, ed.).
Aansluitend wordt van alle 380 gemeenten in Nederland verwacht dat zij uiterlijk in 2021 een Warmtevisie opleveren, waarin per wijk, per straat zichtbaar wordt gemaakt op welke wijze men zich in de toekomst geacht wordt van warmte te voorzien, en wanneer de gaskraan dicht gaat.
Daarnaast zijn gemeenten, zoals bijvoorbeeld Haarlem, van plan een lokaal ‘Klimaatakkoord’ tot stand te brengen waarin de totale opgave met de bevolking wordt ‘afgestemd’.
Opgeteld moeten al deze detailplannen leiden tot de realisatie van de nationale klimaatdoelstellingen, overeenkomend met de internationale afspraken die bij het Klimaatakkoord van Parijs in 2015 gemaakt zijn.

Klimaatafspraken Parijs (bron: Alliander)

Maar Hoe Solidair Is Het Volk?

De dwang van het Klimaatakkoord van Parijs, althans de dwang die de politiek zichzelf oplegt op basis van deze overeenkomst, want sancties kent dit akkoord niet, leidt tot een bestuurlijke voorkeur voor een planmatige en technocratische aanpak van de Energietransitie.
Dit leidt tot een van boven af vastgestelde taakstelling voor Nederland: 49% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990; 80-100% reductie in 2050. Huidige (2017) stand ten opzichte van 1990: 0% reductie. Elders valt te lezen dat dit, gezien de economische groei die sinds 1990 heeft plaatsgevonden, overigens al een prestatie van formaat is.
Doelstellingen voor CO2-reductie worden eerst voor de hele wereld, dan voor ieder land geformuleerd. Binnen Nederland wordt deze doelstelling aan de Klimaattafels verdeeld over de sectoren elektriciteitsproductie, industrie, vervoer, landbouw en huishoudens.
Vervolgens worden deze doelstellingen nader ingevuld binnen de nieuwe energieregio’s en binnen de gemeenten. De nationale taakstelling wordt in 2019 (de opgetelde Regionale Energie Strategieën) en nogmaals eind 2021 (de opgetelde Warmtevisies van de gemeenten) geconfronteerd met wat de provincies en gemeenten, die individueel niet bij de Klimaattafels betrokken zijn geweest, binnen hun werkgebied aan mogelijkheden zien.
Dat deze benadering van onderop dezelfde uitkomst gaat geven als de van bovenaf geformuleerde taakstelling is niet erg waarschijnlijk.
Een complicerende factor hierbij is dat regio’s niet alleen naar hun eigen gebied kunnen kijken met als doel de eigen energievraag binnen het eigen grondgebied te verduurzamen.
Relatief dunbevolkte regio’s kunnen hier wellicht aan voldoen. Maar dat is niet voldoende, omdat dichtbevolkte regio’s en gemeenten met weinig vrij grondgebied hier met geen mogelijkheid aan zullen kunnen voldoen.
Met andere woorden, alle regio’s moeten opgeven wat zij maximaal kunnen doen, niet alleen voor zichzelf , maar ook om export van duurzame energie naar bijvoorbeeld de Randstad mogelijk te maken.
Dit vraagt nogal wat aan onderlinge solidariteit: ‘Zetten jullie je hele provincie maar vol met windmolens, zodat we in de Randstad duurzaam ons geld kunnen verdienen’. Het ligt niet voor de hand dat deze solidariteit zonder slag of stoot opgebracht zal worden, hoeveel ‘regie’ hier ook over gevoerd wordt.

De beoogde regelkring van het Klimaatakkoord (bron: IPO)

En Wie Gaat Dat Betalen?

Naast het ‘not-in-my-backyard’ probleem, is het andere grote issue uiteraard de financiering.
Bedragen die geïnvesteerd moeten worden om een woning energiezuinig te maken en van het gasnet af te kunnen halen lopen in verschillende scenario’s sterk uiteen van gemiddeld €15.000 (Urgenda, Milieudefensie, met comfortverlies) tot €50.000 of meer (aannemers en installatiebranche, met comfortwinst). Laten we het voorzichtig houden op €20.000 als de gemiddelde kosten per woning. Voor 7,7 miljoen woningen telt dit op naar een totale investering van €154 miljard (in prijzen van 2018).
Dit is exclusief de investeringskosten voor grootschalige duurzame opwek van elektriciteit, voor de aanleg en bouw van CO2-vrije warmtebronnen, en voor de netwerken die de stroom en de warmte moeten vervoeren.
€154 miljard is, hoe je het ook wendt of keert, een groot bedrag. Het is €5 miljard per jaar in de komende 30 jaar. Als hiervoor geleend moet worden, en dat zal in veel gevallen zo zijn, komt hier nog rente bij. Stel dat de rente 3% bedraagt en de lening van €20.000 in 20 jaar annuïtair wordt afgelost, dan kost dit een huiseigenaar €112 per maand.
Hier staat een lagere energierekening tegenover, maar daar moeten geen wonderen van verwacht worden. Een deel van de besparing zal geïncasseerd worden in de vorm van een hoger comfort, een deel zal gaan naar hogere kosten van netbeheer en de energievoorziening (inclusief zonnepanelen). Bovendien is het rendement van een veel gekozen oplossing als de warmtepomp in de praktijk niet wat er beloofd wordt, zoals elders op deze website beschreven wordt.
Al met al een forse aderlating voor de gemiddelde koopkracht van de burger, én een hogere schuld, waar ook niet iedereen op zal zitten te wachten.
Het is daarom een reëel risico dat een bestuurlijke en technocratische benadering van de Energietransitie, die met veel dwang gepaard gaat, vastloopt op grote maatschappelijke weerstand, met alle politieke risico’s van dien. Dit is immers koren op de molen van partijen die het klimaatprobleem niet serieus nemen.

Naar een Open Transitiemodel

Een open transitiemodel werkt vanuit de stelling ‘gesloten en planmatig waar collectief kansrijk en voordelig, maar open en naar eigen keuze in alle andere situaties’.
Collectieve, planmatige oplossingen, bijvoorbeeld met warmtenetten, zijn dan voorbehouden aan steden en wijken binnen steden die zich daar bouwkundig voor lenen en waar al een grote mate aan centraal ontwerp en centrale regie bestaat. De meest gesloten energieoplossingen horen in de meest gesloten wijken. Dit zijn vaak wijken waar naar verhouding veel (sociale) huurwoningen zijn. Grofweg zal deze benadering op termijn voor ca. 30-40% van Nederland kunnen werken. Dit percentage zal per gemeente verschillen. Nieuwbouw, die nu al grotendeels energie- en CO2-neutraal kan worden uitgevoerd, zal dit percentage langzaam verder verhogen.
In alle andere situaties verdienen open oplossingen de voorkeur. Dit betekent dat bewoners de ruimte moeten krijgen om wel of niet te investeren in hun woning, en dat zij daarbij alle oplossingen kunnen kiezen die de markt aanbiedt. Bewoners kunnen zo investeren op natuurlijke momenten, bij verhuizingen of als de woning toch al ingrijpend gerenoveerd wordt, en energiemaatregelen meegefinancierd kunnen worden. Maar niet omdat in het klimaatplan van de gemeente staat dat wijk X voor datum Y geheel verbouwd moet zijn en dat de gaskraan dan dicht gaat.
Netbeheerders zouden deze benadering voor deze wijken en bewoners moeten faciliteren door het gasnet voorlopig gewoon in stand te houden, en het elektriciteitsnet zodanig te verzwaren dat alle moderne oplossingen (warmtepompen, zonnepanelen, elektrisch vervoer, etc.) hiermee bediend kunnen worden.
Dikkere kabels en bestaande gasleidingen in bedrijf houden vormen de simpele ‘low tech’ oplossing om de vrijheidsgraden voor veel burgers in stand te houden en een grotere flexibiliteit naar een onzekere toekomst te bieden.
Op deze wijze kan de Energietransitie voor iedereen een positieve ervaring worden, in plaats van een politieke veldslag tussen tegengestelde belangen.

Auteur: Chris IJsbrandy

Ik ben 20 werkzaam in de energiesector als adviseur van overheden en energiebedrijven. Twee jaar geleden ben ik Forstrom gestart, een nieuwe energieleverancier die met gegevens uit de slimme meter klanten helpt met energiebesparing.

Geef een reactie